Dichtbundeloogst 1911-1920

magere_hein_125In 1914-1918 haalde Magere Hein rijke oogsten binnen. Maar hoe zat het eigenlijk met de dichtoogst, toen? En had het werk van Magere Hein enige  invloed op de dichtbundelproductie?

Een eerste inventarisatie, aan de hand van wat in de Brinkman’s Catalogi 1911-1920, in de catalogi van de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience (Antwerpen), de Koninklijke Bibliotheek Den Haag, het Poëziecentrum Gent, in het Lectuur Repertorium 1952-1954 en in Ludo Simons‘  Het boek in Vlaanderen sinds 1800 (2013)  getraceerd werd, levert deze cijfers op:

1911: 33 dichtbundels, 11 debuten, 6 bloemlezingen
1912: 34 dichtbundels, 15 debuten, 4 bloemlezingen
1913: 28 dichtbundels, 11 debuten, 5 bloemlezingen
1914: 18 dichtbundels, 7 debuten, 8 bloemlezingen
1915: 26 dichtbundels, 11 debuten, 13 bloemlezingen
1916: 37 dichtbundels, 5 debuten, 6 bloemlezingen
1917: 36 dichtbundels, 13 debuten, 7 bloemlezingen
1918: 33 dichtbundels, 12 debuten, 3 bloemlezingen
1919: 32 dichtbundels, 10 debuten, 11 bloemlezingen
1920: 44 dichtbundels, 11 debuten, 7 bloemlezingen[Klik op het jaartal voor het jaaroverzicht met de afzonderlijke titels]NB 1: Dit is een eerste inventarisatie – bij de aanmaak van de afzonderlijke dichterslemma’s, waarbij in zeven bronnen gericht gezocht wordt op de dichtersnaam, zullen meer werken uit deze periode bekend worden. Voor deze eerste inventarisatie werd gezocht  met de zoeksleutels ‘gedicht’, ‘gedichten’, ‘poëzie’, ‘sonnetten”en ‘verzen’ (in de Brinkmansen en in de KB) en/of  op jaartal: in Simons en in het Poëziecentrum. In sommige gevallen werd doorgezocht op een dichtersnaam, waarbij het combineren van gegevens in de Conscience-catalogus en in het Lectuurrepertorium nieuwe vondsten opleverde.

NB 2: De getelde bundels voldoen aan de criteria die ook voor opname van bundels op de contemporaine jaarlijsten gelden. Waarbij gezegd dat het voor deze periode van doorslaggevend belang was of werken óók in de Brinkman’s en in het Lectuur Repertorium genoemd werden. Twijfelgevallen zijn wel geregistreeerd, maar niet meegeteld. Dat geldt ook voor overduidelijke bibliofiele werken en ‘klassieke’ poëzie van dichters gestorven vóór 1900 .

Het lijkt, met nadruk op ‘lijkt’,  erop dat alleen het uitbreken van de oorlog van invloed is geweest op het productiebeleid van de toenmalige uitgeefhuizen.  In 1914 is een overduidelijke dip waar te nemen. Logisch: van augustus tot november golfde de frontlinie over België – qua inwoners toen een groter land dan Nederland. In zo’n situatie  hebben mensen wel wat anders aan hun  hoofd dan boeken uitbrengen. Maar toen de situatie gestabiliseerd was, herstelde de productie zich.

bron afbeelding: www.mysticalpassage.com
—————-

Dit bericht is onderdeel van de  Nederlandse Poëzie Encyclopedie
Partners: Poëziecentrum Gent | Ensafh | Neder-L |
Poëziecentrum Nederland | Poëzieweek | Perdu |

Dit bericht is mede mogelijk gemaakt door:
      lira_fonds_100 

This entry was posted in Algemeen poëzienieuws, Nieuwe NPE-lemma's. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published.